Casco Art Institute: Working for the Commons, Introductie

Main Menu

Casco Art Institute: Working for the Commons, Introductie,

Casco krijgt een nieuwe naam, een nieuwe modus operandi, en een nieuw tentoonstellingsprogramma.


Opening: vrijdag 26 mei 2017, 17.00-20.00 uur
Tentoonstelling: tot en met 16 juli 2017


Na meer dan vijfentwintig jaar te hebben gewerkt als Casco, Casco Projects, en tot voor kort Casco – Office for Art, Design and Theory, veranderen we onze naam in Casco Art Institute: Working for the Commons. De naam luidt onze nieuwe manier van werken in, die gepresenteerd wordt in de vorm van een gelijknamige tentoonstelling die van start gaat  op 26 mei 2017. Met deze ontwikkeling proberen we onze politiek-esthetische intenties in praktijk te brengen en gaan we de confrontatie aan met hun urgentie, waarbij “werken voor de commons[1] de leidraad vormt voor alle werkzaamheden van Casco. De term “de commons”, zoals we het hier bedoelen, verwijst naar méér dan het gemeenschappelijk gebruik van bepaalde grondstoffen: voor ons zijn de commons een waardesysteem en een soort algemene beginselverklaring, een leef- en werkwijze, een alternatief voor kapitalistische modi waarbinnen het private en het publieke blind voor elkaar zijn en waarin het een het ander is gaan overheersen. De tentoonstelling biedt esthetische ervaringen en deelt de conceptuele “gereedschapskist” die we hebben gebruikt om deze te kunnen realiseren, en heeft in het bijzonder betrekking op ideeën en praktijken die verbonden zijn aan de commons in de kunsten. De tentoonstelling is in die zin een proefopstelling voor Casco Art Institute: Working for the Commons waarop we graag uw reacties tegemoet zien, omdat die feedback essentieel is voor het invullen van het toekomstige profiel van Casco.


Binnen het vernieuwen van onze naam en werkwijze staat herstructureren en opnieuw vormgeven centraal, en niet, bijvoorbeeld, een nieuw gebouw of productievorm. We herstructureren onze praktijk aan de hand van  uiteenlopende activiteiten en in verschillende media, en via drie kernvormen: Action, Body en Kirakira.


Met Action benaderen we kunst als experiment en als stap in de richting van maatschappelijke en politieke verandering, of anders gezegd, naar commoning als werkwoord, als actieve handelswijze. Action vereist langdurige ontwikkeling die, naast strategische planning en speculatie, in stand gehouden wordt door een sterk organisatievermogen en samenwerking met andere organen.


Via Body onderstrepen we organisatorische vormen en processen als arbeid, waarbij we ons nadrukkelijk richten op  alternatieve manieren om onze energie en voorzieningen in te richten, voorbij  institutioneel landjepik en verhoudingen op basis van loon. Hoewel de crisis in organisatie en het belang van organisatie (en collectiviteit) veelbesproken is,  worden organisatiepraktijken vaak buiten beschouwing gelaten en worden ze behandeld als niet-kunstzinnige aangelegenheden zonder vorm of esthetiek. Wij beschouwen ze echter juist als een onmisbare factor die van groot esthetisch en artistiek belang is wanneer je je bezighoudt  met de commons.


We gebruiken Kirakira[2] (“glim glim”, of “schittering” in het Japans), als een term om de kwetsbare maar vasthoudende vormen van “studie”[3] en improvisatie aan te duiden, waarmee je bepaalt hoe je je verhoudt tot objecten die je tegenkomt. Kirakira omarmt een kritische waardering van esthetica, poëzie en mythe. Het is een praktijk van “doen” door middel van “ont-doen”, van het zien van the uncommon - het ongewone in de zin van verschillen en openheid – als de voorwaarde voor alles wat we delen: de commons.


Action, Body en Kirakira zijn drie vormen van werken die elkaar overlappen en onderling stimuleren. We zien ze als een ontologische basis voor kunst en kunstinstellingen die voor de commons werken. De tentoonstelling besteedt niet alleen aandacht aan hoe ze zich van elkaar onderscheiden, maar vooral ook aan de mogelijkheden die hun inherente verbondenheid biedt.


De tentoonstelling is daarnaast een proef voor een aantal infrastructurele ontwikkelingen om voor de commons te werken, zoals de lancering van commons.art, een groeiend reservoir van open en common hulpmiddelen. Op deze site worden de drie hierboven beschreven praktijkvormen geïmplementeerd en van mogelijke toepassingen voorzien, waardoor we kunnen experimenteren met een “managementsysteem gebaseerd op de commons”. Bij het ontwikkelen hiervan beroepen we ons weloverwogen op literaire kracht.[4] Daarbij installeren we in Casco een kleine winkel en tentoonstellingsruimte voor wat we Hyperobjects noemen: voorwerpen die op commerciële producten lijken maar als links fungeren naar een netwerk dat hen ver overstijgt. We zullen van tijd tot tijd  wandschilderingen in deze ruimte laten aanbrengen, om een denkbeeldig veld voor dit netwerk te openen. Gedurende de tentoonstellingsperiode ontwikkelen we een podium met een wisselend filmprogramma en ad-hoc evenementen en activiteiten: deze Optic to Haptic Cinema (OH Cinema) schept gelegenheden waarbij het ‘zien’ ‘tastbaar’ kan worden.


Tenslotte willen we met deze verandering onze inspanning onderstrepen om kunstzinnige praktijken te verwezenlijken door middel van reproductie,[5] zorg en duurzaamheid op basis van niet-kapitalistische en feministische waarden. Zoals bekend hanteren de meeste (kunst)instituten en organisaties patriarchale waarden die een hiërarchische relatie tussen productieve arbeid en reproductieve arbeid opleggen,[6] een hiërarchie die ook (re)presentatie en achterliggende organisatieprocessen miskent. Wij vinden echter, dat “we produceren binnen reproductie.[7] Deze stelling is in het bijzonder urgent nu zowel onze lichamen als onze aarde, ongeacht in welk (vak)gebied, genadeloos gebukt gaan onder competitie en overproductie. Tegelijkertijd voelen we de acute noodzaak om onze organiserende slagkracht te vergroten en te versnellen in het licht van de wereldwijde politieke realiteit. We streven naar een organisatorische doorlaatbaarheid die deïnstitutionaliseert, maar tegelijkertijd – in de geest van solidariteit – reïnstitutionaliseert door met een grotere groep mensen te delen. Dit brengt een vooruitzicht van zelf-organisatie met zich mee, of anders gezegd, een principe van zelf-eco-organisatie dat een “inherent verband tussen desorganisatie en complexe organisatie[8] omarmt. Dit proces maakt een vorm van internationalisme mogelijk, maar vereist desalniettemin een aanzienlijke dekolonisering en engagement met verschillen. Het doet dan ook een beroep op diverse idiomen en vormen, voorbij het “veld” [9] van kunst tot kunst.[10]


Het concept van Casco Art Institute: Working for the Commons is in de loop van een lange periode ontwikkeld, waarbij belangrijke projecten onder leiding van Casco als katalysator fungeerden, zoals Grand Domestic Revolution (2009/2010-2012), New Habits (2014), We Are the Time Machines: Time and Tools for Commoning (2015/2016) en andere projecten die binnen het programma Composing the Commons (2013-2016) door kunstenaars en groepen mensen werden vormgegeven. Het is ontstaan in een doorlopende samenwerking van onder meer het hele team en bestuur van Casco, kunstenaars, ontwerpers, onderzoekers, activisten, vrienden en collega’s. Met name Site for Unlearning: Art Organizations met Annette Krauss (2014-heden), en Arts Collaboratory, een netwerk van vijfentwintig kunstorganisaties die samen met Casco een ecosysteem vormen, zijn vormend geweest voor deze golf van heruitvinding.


Noten:


[1] Een goede inleiding op de commons is te lezen op  http://cascoprojects.org/a-dialogue-on-the-commons; een andere goede introductie is dit fragment van een artikel door filosoof en docent Aetzel Griffioen over de idee van de commons, toegespitst op de Nederlandse context: https://wiki.p2pfoundation.net/Dutch_Commons.


[2] Jiyoung Shin, wetenschapper en auteur van Minority Commune (2016) introduceerde kirakira in “Midnight Contacts: Commune to Commune,” een lezing die ze gaf tijdens het Gwangju Biennale Forum (2016, Gwangju, Zuid-Korea). De term verwijst naar een verzameling glimmende versierseltjes, gemaakt als een soort mascottes door een Japanse vrouw die als dakloze in het Yoyagipark in Tokio woonde. Ze drukte er haar dankbaarheid mee uit en zocht er innerlijke vrede mee. De vrouw liet bij wijze van documentatie grote delen van haar dagboek na, waarin ze het leven van daklozen in het park beschreef.


[3] We begrijpen ‘studie’ hier als parallel aan wat Fred Moten en Stefano Harney ontwikkelden in hun boek The Undercommons: Fugitive Planning and Black Study (2013): een kritische, aanhoudende en onbuigzame manier van in samen in verzet zijn, in het bijzonder in een tijd waarin academische instellingen hun studenten en docenten ironisch genoeg alles laten doen behalve studeren.


[4] In het artikel “The Arts, the Sciences, the Originary Peoples, and the Basements of the World” (uitgegeven door het “Zapatista Army for National Liberation”, februari 2016) introduceert Subcomandante Insurgente Moises een nieuwe driepoot als basis voor een betere wereld: kunst, wetenschap en oorspronkelijke volkeren. Hij beschouwt literatuur als een fenomeen buiten de kunst, omdat “literatuur de verbanden tussen de drie poten moet vormen en hun samenspel – positief of negatief – moet tonen.” Met dank aan Cooperativa Cráter Invertido, en in het bijzonder Hector Pena en Yollotl Alvarado, die het artikel als boekje hebben uitgegeven.


[5] Reproductie kan worden begrepen als alles wat productie mogelijk maakt en voorgaat, maar desondanks zelden zo belangrijk wordt gevonden als productie zelf: zorg en verzorging, maar ook diensten en affectieve arbeid.


[6] Voor dit inzicht zijn we bovenal aan Silvia Federici dank verschuldigd, onder andere vanwege de ‘Wages for Housework’-beweging, en haar boeken Caliban and the Witch: Women, the Body (2004) en Primitive Accumulation and Revolution at Point Zero (2012).


[7] Deze zin wordt gebruikt door Kerstin Stakemeier in “Art as Capital, Art as Service, Art as Industry: Timing Art in Capitalism,” Cultures of the Curatorial: Timing on the Temporal Dimension of Exhibiting (2012), p. 35. Het volledige citaat is: “De eigentijdsheid die kan resulteren uit het aantonen van de afwezigheid van overgeërfde autonomie in de kunsten, activeert een historische solidariteit die kunstzinnige en curatoriale voorzieningen overstijgt en aantoont dat ‘feministische kunst’ nooit een stijl was, maar altijd een solidaire vorm van (re)productie voorbij kunst mogelijk heeft gemaakt, en bevestigt wat Gisela Discher in 1974 schreef: ‘we produceren binnen reproductie.’”


[8] Edgar Morin, On Complexity (2008), p.17.


[9] Hier gebruiken we “veld” als sociologische term, geïnspireerd door Pierre Bourdieu: een paradigma waarbinnen een collectieve “habitus” bestaat die “onderscheidende” spelregels schept. Onze projecttentoonstelling New Habits (2014) ging in op deze notie van veld in de kunst, en de mogelijkheid van ontwenning.


[10] Een nuttige, recente tekst over dit inzicht is Caroline Levine, die in Forms: Whole, Rhythm, Hierarchy, Network (2017) stelt dat vormen niet alleen kunstwerken organiseren maar ook ons politieke leven – net als onze pogingen om zowel kunst als politiek te doorgronden.